Vanaf de Jaren 1920 ontwikkelen Gustave de Smet (1877-1943), Constant Permeke (1886-1952) en Frits van den Berghe (1883-1939) een eigen vorm van het expressionisme dat gekenmerkt wordt door een krachtig en aards realisme. Hun plompe en ploeterende boeren en vissers zijn odes aan de verbondenheid van mens en natuur, met dynamisch penseel neergezet in typisch-donkere ‘Vlaamse bruinen’. Dit Vlaamse expressionisme slaat aan en verwerft in korte tijd een eigen plek te midden van alle vernieuwende kunststromingen die de vroege 20e eeuw zo’n belangrijk moment in de kunstgeschiedenis maken.

Een nieuwe taal

Klaar met de esthetiek en vrijblijvendheid van het impressionisme wakkeren kunstenaarsbewegingen als Die Brücke, Der Blaue Reiter en de Futuristen aan het begin van de 20e eeuw internationaal het vuur aan om de nieuwe taal van het expressionisme te omarmen. Hierin winnen uitdrukkingskracht, kleur en grove penseel het van natuurgetrouwheid, zuiver perspectief en compositorische wetmatigheden.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vlucht een aantal Belgische kunstenaars naar onder meer Nederland, waar ze vallen voor de ‘wilde’ kunst van hun in expressionistische stijl werkende vakbroeders. Zo ook Gustave de Smet, die hier tot 1922 zal blijven. “Ik arbeidde door met de wens mij stap voor stap te ontdoen van alle clichés en van alle goedkope kunstgrepen. Voortaan wil ik mij inspannen het innerlijke leven te vertolken, met de grootst mogelijke eenvoud, expressief door de vorm en door de kleur”, schrijft hij.

In Nederland vormen schilders als Jan Sluijters en Leo Gestel een dynamische voorhoede. Een groep avant-garde kunstenaars, waaronder Gestel, vestigt zich in het dorp Bergen en ontwikkelt hier een heel eigen toets en thematiek: de Bergense School. Ook het expressionisme van de Bergense School wordt in Vlaamse Expressionisten verbonden met alle vernieuwende tendensen in de internationale kunstwereld aan het begin van de 20e eeuw.

Marc groet 's morgens de dingen 

In de tentoonstelling bevindt zich een bijzonder portret dat Floris Jespers (1889-1965) maakte van zijn zoon Marc. Marc is vooral bekend uit het beroemde gedicht 'Marc groet ’s-morgens de dingen' (1922) van Paul van Ostaijen (1896-1928). Van Ostaijen bracht in 1918 met zijn essay Ekspressionisme in Vlaanderen als eerste de groep Vlaamse expressionisten kritisch in kaart.

 

De tentoonstelling is mede mogelijk gemaakt door de rijksoverheid: de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een indemniteitsgarantie toegekend.